Over de drukke stoplichtloze wegen rijden we naar het noord-oostelijke deel van Sint Maarten tegen de Franse grens aan. De uitgestrekte zandstranden beperken zich tot het westelijk deel van het eiland. Hier in het oosten liggen luxe privewoningen, jachthavens en het chique Westin hotel aan de rotsachtige kust met woeligere baren dan de baai waar wij ons verblijf hebben. De zee toont in elke hoek van het eiland haar eigenzinnige karakter.
De enkele wegen die het oosten doorkruisen bestaan uit kronkelige paden met angstige hellingspercentages. De bergversnelling van onze 4×4 bleek geen overbodige luxe. In Oyster Pond waan je jezelf in een andere atmosfeer. Hoewel een stuk rustiger en netter, heeft het een hoog wannabe gehalte. Je wilt niet de drukte van de massa in en rond Philipsburg, maar de serene luxe van de Lowlands in het uiterste westen kun je je niet veroorloven, dus dan gaat men maar in Oyster Pond zitten gekleed in Mc.Gregor short en Paul & Shark polo. De jachthaven is navenant. Hier geen ruimte voor serieuze megajachten maar wel voor de bescheidener bootjes waar waarschijnlijk ook mee gevaren wordt. Zoals bekend varen de eigenaren van megajachten niet maar laten hun kapitein hun drijvende partybodem van haven naar haven varen en stappen ze zelf in hun Learjet, Beechcraft of Bombardier.
Snel terug naar het westen om nog even op het privé-strand aan de teint te werken. Het is voorlopig de laatste dag in Sint Maarten. Al met al kan ik niet zeggen dat er een vonk is overgeslagen. Het is niet het gevoel en de beleving die ik zocht op een Caribisch eiland. Ik mis simpelweg het eilandgevoel. In plaats daarvan voel ik me beetgenomen in een Amerikaanse tourist trap waar authenticiteit heeft plaatsgemaakt voor grootschalige commercie. Het is het Coney Island van de bovenwindse archipelago.



