Het is inmiddels donker in het tentenkamp. De gasten praten wat na en kunnen het niet onderdrukken om regelmatig naar de overkant van de drooggevallen rivierbedding te turen. Als er wild komt dan steken ze van daaruit over. Om de zoveel minuten speelt iemands verbeelding parten en klinkt er een roep vergezeld van een wijzende vinger. In het donker lijkt alles dat beweegt ineens op een beest.
Dan klinkt Afrikaans tromgeroffel uit de avond zo donker als de vrolijke chefkok die zichzelf als stand-up comedian ziet. Twee lange tafels zijn gedekt rond het kampvuur in een grote kring dat sfeervol met fakkels is afgebakend. Als elke gast zijn beursgestuiterde derrière op een stoel heeft geplant begint de olijke chef zijn keukenhumor los te laten met zijn obligate intro praatje. Met gehoorzame gasten die toch niet weg mogen lopen en doorgeladen jachtgeweren is hij verzekerd van een enthousiast publiek dat aarzelend applaudisseert.
“Een virus waar je altijd drager van blijft”
Na drie nachten in het tentenkamp zit ons verblijf er op. Een weemoedig gevoel komt over ons heen. Ondanks de malariatabletten hebben we toch een exotische ziekte opgelopen. De safarikoorts! Het is een virus waar je altijd drager van blijft. Maar een kamer met muren die niet leven en een binnendouche met licht waarbij je niet het gevoel hebt dat tientallen kleine ogen je bespioneren lonkt ook wel.
Nog een keer staan we om half zes paraat en klimmen we met zijn zessen bij Sam en tracker Jeffrey op de onverwoestbare engelse cabrio. Als het licht wordt op de savanne steekt Jeff zijn hand op alsof ie met zijn geoefend oog overstekende mieren spot. Het zijn luipaardsporen! De landrover ontwaakt als we voetstaps de sporen volgen. Jeff stapt af en schiet als een ware voetzoeker de rimboe in. Het lijkt ons niet de meest voor de hand liggende actie om ongewapend – hij heeft geen wapenvergunning – een kat achterna te gaan die de sterkste beet heeft van zijn soort.
“De decadentie ten top..”
Het illustere roofdier blijkt schuwer dan de leeuwen en het enthousiasme neemt voelbaar af. Voor ons blijft het de ‘big four’. Na twee uur speuren besluit Sam richting de grote plas te hobbelen. Coffee break! Met de hippo’s poedelend op de achtergrond komt het klaptafeltje tevoorschijn en drapeert onze ranger een kleedje waarna er koffie, thee en versgebakken cupcakes uit de picknicktas getoverd worden. De decadentie ten top heeft ie tijdens de middag speurtochten voor liefhebbers whisky, gin, vodka, bier en fris zodat we onze eigen cocktails mixen. Een dag eerder plantte hij het tafeltje 50 meter nadat hij een hartverzakking kreeg toen Jeffrey vanuit zijn hoekje op de motorkap riep “Black mamba!” Als een van de gevaarlijkste slangen ter wereld met zeer potent neurotoxine kan hij zich wel een meter oprichten en na een beet heb je nog net tijd je geliefden een vaarwel te sms’en. Overigens is hij helemaal niet zwart maar grijs waardoor ie moeilijk zichtbaar is op de afrikaanse bodem. Hij is vernoemd naar de binnenkant van zijn bek die gitzwart is. Misschien is een borrel drinken niet zo handig.
Voor de laatste keer horen we de trom roffelen en horen we de kok in witte grapjas het ontbijt presenteren. Daarna nemen we melodramatisch afscheid van de groep en bedanken we Sam en Jeff voor onze onvergetelijke ervaring. We zetten de panoramaroute voort en koersen naar Hazyview. Een plaatsje op 1,5 uur afstand van het Timbavati reservaat. Althans, als je niet je nep SUV voor de tweede keer in de rivierbedding laat wegzinken.





